Tag Archives: Ethiek

Economie en Bijbel?

Volgens de Tsjechische econoom Tomás Sedlácek staat de allereerste macro-economische voorspelling uit de geschiedenis in de bijbel, in het beroemde verhaal over de droom van de Egyptische farao. Jozef, de zoon van Aartsvader Jacob, interpreteert de droom van de farao over de zeven vette en zeven magere koeien als een macro-economische voorspelling: er zal een cyclus komen van zeven jaren hoogconjunctuur (overvloed), gevolgd door zeven jaren laagconjunctuur (armoede). Jozef adviseert de farao daarom het voedseloverschot uit de vette jaren te bewaren voor de magere jaren want “zo zal het land niet van de honger omkomen.”

Sedlácek stelt dat economie een religie is, maar dat de God van de vrije markt dood is. Het nog altijd populaire geloof dat de markt zichzelf reguleert, dat de economische priesters, de modellenmakers, de markt kunnen voorspellen namelijk blijkt niet te kloppen. “Economen,” zegt Sedlácek, “doen net alsof ze een neutrale, waardevrije wetenschap beoefenen à la natuurkunde. Maar in werkelijkheid heeft economie een sterk moreel programma, dat stelt dat egoïsme goed is, dat de mens op aarde is om zijn persoonlijke nut te maximaliseren, dat emoties onderdrukt en dat alleen spreekt over waarden waarop een cijfer kan worden geplakt.” Maar kunnen we dit dan wetenschap noemen? Of gaat hier eigenlijk over zingeving, religie?

In zijn onlangs verschenen boek De economie van goed en kwaad verwijst Sedlácek vaak naar de bijbel als bron van economische kennis. Zo is de oorsprong van het huidige vooruitgangsdenken, dat kenmerkend is voor het moderne kapitalisme, voor het eerst te vinden bij de joden. Het oude testament vertelt dat de joden het cyclische tijdsbesef, kenmerkend voor het oosterse denken, inruilden voor het horizontale lineaire denken. Met het oude testament begint zo de geschiedenis van de mens die zichzelf doelen stelt en zelf geschiedenis maakt. Waar het nieuwe testament later de rijkdom veracht, en Jezus de aandacht vestigt op het Koninkrijk der Hemelen, is de god van het oude testament welhaast een kapitalist. In tientallen passages zien we hoe god de zegen uitspreekt over het vergaren van rijkdom.

Volgens Sedlácek stelt geen enkele wetenschap de vrijheid van het individu, wat een morele waarde is, zo centraal als de economie. Maar wat is dan die vrijheid, want tegelijkertijd hebben de economiestudenten aan de universiteiten niet de vrijheid om zelf hun stroming te kiezen en dus hun eigen visie te ontwikkelen. Dat is tegenstrijdig. De vrijheid staat centraal, maar de studenten zijn niet vrij om eigen morele afwegingen te maken. De economische opvatting wat vrijheid is wordt hen dus gedicteerd, zodat ze daar geen vragen over stellen. Vragen als, moet egoïsme wel een van de belangrijkste drijfveren zijn van de economie? Want dat heeft er immers mede toe geleid dat vandaag de rijkste 10% van de wereldbevolking meer dan 85% van het mondiale kapitaal bezit. En gaat het in het leven vooral om het maximaliseren van nut, een zo groot mogelijke behoeftebevrediging? De economische groei is tegenwoordig mede afhankelijk van marketingbureaus die tot in detail (psychologische) strategieën uitwerken, modes en rages in het leven roepen, om miljoenen consumenten over te halen producten aan te schaffen die mensen wellicht niet echt nodig hebben. Moeten alle deze behoeften bevredigd worden? En wie profiteert daar dan het meeste van: de consumenten of de producenten? En moet alles berekenbaar zijn? Is morele sensitiviteit, het besef dat niet alles om berekenbaar persoonlijk gewin gaat, niet van wezenlijk belang om een gezonde economie te ontwikkelen?

Het westerse economische model heeft zich volgens Sedlácek ontwikkeld tot een imperialistische wetenschap. Dat wil zeggen, “we denken dat onze methode superieur is en dat we alles in ons eentje kunnen begrijpen.” Dit zou het gevolg zijn van het programma van de Verlichting. In 17e en 18e eeuw wist men dat het spectrum van kennis veel te groot en te complex is om door één persoon doorgrond te worden. Dus ging men zich specialiseren waardoor verschillende wetenschappelijke disciplines ontstonden: biologie, natuurkunde, filosofie, economie enz. Door deze specialisatie hebben de wetenschappen de laatste eeuwen vele waardevolle ontdekkingen gedaan. Maar de prijs die ze ervoor moesten betalen is dat ze de onderlinge samenhang zijn verloren. Ondertussen is de economie evenwel het leven gaan domineren. Kortom, hoe belangrijk is religie, levensbeschouwing, die ook oog heeft voor de morele aspecten van het menselijk leven? Oog voor de medemens, het delen van alles wat de aarde ons biedt en daar verantwoord mee omgaan? Waar is de wijsheid, die we zo bitterhard nodig hebben in deze tijd?

 

Als ik God was dan…

Dat een op het eerste gezicht vrij onschuldige opdracht voor levens-beschouwing onder moslimleerlingen voor enige commotie zou zorgen had ik niet kunnen bevroeden. Dat er een diep vraagstuk aan ten grondslag ligt dat verheldering behoeft was wel al snel duidelijk. Na het zien en bespreken van de film “Bruce Almighty”, waarin acteur Jim Carry zich de Ene Almachtige God mag wanen, leek het een interessante denkoefening voor de leerlingen: wat zou jij doen als je God was? Toch waren er leerlingen die na overleg met ouders besloten om de opdracht niet uit te voeren omdat islam dat niet toestaat. Moslims mogen zich namelijk niet identificeren met God.

De individuele vrijheid lijkt hier echter in het geding te zijn. Want is een absoluut verbod op identificatie met God niet een verlamming van de morele intentie, het zuivere verlangen God of het mysterie te willen kennen? Is de zoektocht naar God, eigenlijk niet de zoektocht naar onszelf, en dus onderhevig aan de menselijk gegeven twijfel? Een noodzakelijke twijfel om als mens geestelijk te kunnen groeien? Hier zit de paradox: een absoluut (moreel) verbod getuigt namelijk van een menselijke blinde hoogmoed omdat die mens pretendeert te weten dat God voor altijd en eeuwig onkenbaar zal zijn. En dat terwijl diezelfde God in absolute termen wel kenbaar heeft gemaakt hoe jij je als mens hier op aarde dient te gedragen. Hoe kan een feilbaar mens, die God, de Onkenbare niet kan kennen, absoluut zeker weten dat hij de Onkenbare nooit zal kunnen kennen en bovendien gelijktijdig absoluut zeker weten hoe zich te ‘moeten’ gedragen? Dit is een cirkelredenering waar de gelovige niet aan kan ontsnappen.

Door je als mens voor te stellen als God wordt juist je menselijke natuur uitvergroot, je kwetsbaarheid, je onwetendheid. Maar ook je verborgen talenten, je wensen, je dromen, je intenties komen tot uitdrukking. Want hoe zou jij willen dat de wereld er uitziet? Je ontdekt je grenzen, je plaats hier op aarde, je individuele bezieling die je als je lot moet leiden in harmonie met het grote geheel; noem het God. Dat is de individuele menselijke vrijheid, die vanuit eigen wilskracht de verbinding met het geheel moet herstellen. Voor de moslim gelovige die zich deel weet van islam ligt dit anders. Door collectief een verbod op te volgen dat het geloof voorschrijft, wordt de illusie van zekerheid geschapen die in tijden van politieke polarisatie waarin we leven alleen nog maar sterker wordt aangewakkerd. Het is precies deze politiek van verdeel en heers, die niet wordt doorzien, die moslims in een verengde saamhorigheid manoeuvreert waar individuele vrijheid onder druk komt te staan.

Dat de mens Bruce als God er niet veel van bakte was overduidelijk: hij werd een superegoïst, misbruikte zijn macht en ontregelde de kosmische orde. Maar, hij had een vrije wil. En dat is juist de schoonheid, zo zei God. Pas toen hij zich gewonnen gaf in totale overgave knielend op de snelweg, om vervolgens door een vrachtwagen te worden aangereden waarna God hem in de hemel de vraag stelde wat hij nu werkelijk wilde, leek hij zichzelf te kunnen loslaten. Voor het eerst was hij tot liefde in staat. Niet langer wilde hij voor zichzelf iets, maar wenste hij dat zijn grote liefde, Grace, gelukkig zou zijn. Is dat niet essentieel voor de mens: vanuit vrijheid begrip ontwikkelen voor het gebod? Immers, eerst dan als er begrip is voor de wet zal de mens deze vrijwillig willen opvolgen. En dan is een god die altijd onkenbaar blijft niet langer noodzakelijk om het morele streven naar het Goede te waarborgen.

 

NEDERLAND EN DE NIEUWE CATEGORIE VAN DE NIET-MOSLIM

Inleiding

In zijn recente boek De hel, dat is de ander[i] constateert Bart Brandsma het opmerkelijk feit van de geboorte van een nieuwe identiteit in Nederland: de niet-moslim. Wordt er in de sociologie al tientallen jaren over ‘moslims’ en ‘de moslim-gemeenschap’ gesproken, de niet-moslim – dat is de autochtone Nederlander, de ‘westerling’- zou eerst heel recentelijk bijna ongemerkt opgang doen. Continue reading NEDERLAND EN DE NIEUWE CATEGORIE VAN DE NIET-MOSLIM